π Pirrewitje, het lieveheersbeestje en de kleine verrassing
Op een zachte namiddag in september stapte Pirrewitje uit zijn uitgeholde boom.
βPirrewit wit wit, wat zal ik vandaag eens doen?β zong hij vrolijk.
Toen hoorde hij tussen de blaadjes een piepklein stemmetje.
βHalloβ¦ is daar iemand?β
Pirrewitje keek onder een groot groen blad. Daar zat een lieveheersbeestjemet zeven mooie zwarte stippen.
βDag!β zei Pirrewitje. βWaarom zit jij helemaal verstopt?β
βIk wilde naar de bloemenweide vliegen,β zei het lieveheersbeestje, βmaar ik weet niet meer welke kant ik op moet.β
βDan gaan we samen!β zei Pirrewitje.
Ze wandelden langs de paddenstoelen, over een kronkelpaadje en voorbij een slak die héél langzaam βgoedemiddagβ zei.
Plotseling zagen ze iets geels tussen het gras.
Een zonnebloem!
En daarachter stonden er nóg één⦠nóg twee⦠wel tien!
βDe bloemenweide!β riep het lieveheersbeestje blij.
Het vloog omhoog, maakte een vrolijk rondje om Pirrewitjes rode puntmuts en landde precies op zijn neus.
βKriebel, kriebel!β giechelde Pirrewitje.
βDank je wel dat je met me meeging,β zei het lieveheersbeestje.
Pirrewitje glimlachte. βSamen vind je soms makkelijker de weg.β
En terwijl de septemberzon door de bomen scheen, wandelden ze samen tussen de bloemen.
Pirrewit wit wit, een goede daad en een blij gezicht! πππ»
Hier is een mooie tekening van Pirrewitje met het lieveheersbeestje tussen de zonnebloemen?






