Pirrewitje en de poes met de grote glimlach
Op een zachte ochtend in september wandelde Pirrewitje door het bos.
“Pirrewit wit wit,” zong hij, terwijl hij kleine eikeltjes van het pad raapte. “Zo kan niemand erover struikelen!”
Plotseling hoorde hij boven zich:
“Prrrrrrr…”
Pirrewitje keek omhoog. Op een dikke tak zat een grote poes. Ze had een brede glimlach van oor tot oor.
“Dag poes!” zei Pirrewitje. “Wat lach jij mooi!”
“Dank je,” zei de poes. “Ik kom uit Wonderland.”
“Wonderland?” vroeg Pirrewitje. “Is dat ver?”
“Dat hangt ervan af welke kant je op wilt,” miauwde de poes geheimzinnig.
Toen gebeurde er iets héél geks.
De staart van de poes verdween.
Daarna haar pootjes.
Toen haar buik.
En uiteindelijk zweefde alleen haar grote glimlach nog tussen de bladeren!
Pirrewitje klapte in zijn handen.
“Hoho! Wat knap!”
Even later verscheen de poes weer op een lagere tak.
“Ik zoek een fijne plek om even uit te rusten,” zei ze.
“Kom maar mee,” zei Pirrewitje. “Bij mijn boom staat een zacht bedje van mos.”
Samen wandelden ze naar Pirrewitjes uitgeholde boom.
Onderweg zagen ze een kleine slak die niet over een gevallen tak kon komen.
“Ik help wel!” zei Pirrewitje.
Hij legde een plat blaadje als bruggetje over de tak. De poes duwde het blaadje voorzichtig op zijn plaats met haar poot.
De slak kroop er langzaam overheen.
“Dank jullie wel,” zei de slak.
De poes glimlachte nóg breder.
“Vriendelijk zijn is eigenlijk ook een soort toverkunst,” zei ze.
Pirrewitje knikte.
“En daarvoor hoef je niet eens te kunnen verdwijnen!”
Bij de boom dronken Pirrewitje en de poes een klein kopje bramenthee. Daarna rolde de poes zich op in het zachte mos.
Maar net voordat ze haar ogen sloot, verdween ze alweer een beetje.
Eerst haar oren.
Toen haar neus.
Tot alleen haar glimlach nog zichtbaar was.
Pirrewitje giechelde.
“Welterusten, poes uit Wonderland.”
Vanuit het niets klonk een zacht:
“Prrrrrr…”
En Pirrewitje wist dat hij er een bijzondere nieuwe vriendin bij had.






